Noodtoren van de vesting Herle

Kerk0305-1 Small

 

 

 

 

We beginnen onze uitjes met eens te kijken naar het meest in het oog springende als je richting centrum Heerlen komt... 
De machtige toren die daar onverstoorbaar staat te staan en vaak zal denken: het zal allemaal wel. Ik heb al zoveel meegemaakt... 
We gaan aan zijn voeten zitten en zeggen:
Nou vertel dan eens wat. 

 


DE TOREN van de St. PANCRATIUSKERK, NOODTOREN van de VESTING HERLE.

 

“….eyn torn te Herle gesedt es om die bescuddenisse van den ondersetten….”
[“…te Heerlen is een toren gebouwd ter bescherming van de inwoners ter plaatse…”] 

NOODTORENS

Landsfort HerleDe bovenstaande tekst stamt uit de Registers van de Rekenkamer te Brussel over het dienstjaar 1395-1396. Ze heeft betrekking op de bouw in de vesting (“Landsfort”) Heerlen van een zgn. “Noodtoren”. Het woord zelf zegt het eigenlijk al: in tijden van nood, gevaar en oorlog moest een dergelijke toren fungeren als toevluchts- en verdedigingsoord voor de bewoners van het fort en zijn onmiddellijke omgeving. De beslissing voor de bouw en de versterking van het Heerlense Landsfort was natuurlijk gelegen in het inpassen ervan in de “Lebensraum”-politiek van het steeds machtiger wordende Brabant, dat op de plek waar zich nu de toren, de Pancratiuskerk en hun naaste omgeving bevinden, een militair steunpunt wilde vestigen ter beveiliging van het door de slag bij Woeringen (D)  in 1288 verworven gebied tegen de opdringende macht van de Rijnlandse politiek. De vestiging Herle maakte hierbij destijds deel uit van het stelsel van verdedigingswerken tot behoud van de economisch zeer belangrijke handelsweg  Brugge-Keulen. De toren belichaamt de militair-strategische betekenis van Heerlen tijdens de Middeleeuwen tot en met de beëindiging van de 80-jarige oorlog (1568- 1648), toen onder het Staatse bestuur een definitief einde werd gemaakt aan alle vestingwerken, welke zich nog in het “Land van Valkenburg” bevonden.

Het stichten en de latere uitbreiding van de vesting moet voor de plattelandsbevolking rond de oorspronkelijke kern, die een redelijk rustig bestaan leidde, nogal wat opschudding en onrust voor de toekomst met zich mee hebben gebracht – zo’n fort trok immers ook de aandacht van ongewenste figuren! Als daar maar geen ellende en oorlog van kwam! We kunnen de reacties op het plan misschien wel vergelijken met die op de beoogde plaatsing van Amerikaanse kruis-raketten in de jaren ’70 van de vorige eeuw…..

De hertog van Brabant zag ook wel in dat de bevolking gemengde gevoelens koesterde en hij was democratisch genoeg om de gegrondheid van hun bezwaren in te zien en aan te voelen, vandaar dat hij tegenover negatieve zaken als de belasting door een garnizoen en periodieke vijandelijke troepenconcentraties rond de vesting het  “ Refugie- Recht”  stelde, dat iedere mannelijke bewoner van fort en omgeving het recht gaf om binnen de muren met zijn gezin, have en goed een veilig heenkomen te zoeken en te vinden. Op meerdere plaatsen in het archief van de Hertogelijke Rekenkamer te Brussel wordt hierover zeer nadrukkelijk gesproken. Een Oud-Franse en een Oud-Nederlandse tekst van rond 1400  zeggen het aldus:

……UNE TOUR EST ASSISE A HERLE POUR LA GARDE DES HABITANS CONTRE LES RUTRES DU PAYS……

hetgeen derhalve betekent, dat er te Heerlen een sterke toren staat ter beveiliging van de bewoners tegen de roofridders van de streek.

De tweede tekst, aangehaald in het begin van deze bijdrage, luidt:

……EYN TORN TE HERLE GESETH ES OM DIE BESCUDDENISSE VAN DEN ONDERSETTEN VAN DEN LANT JEGEN DIE RUTEREN, WELKE TORN DEN HEREN TOEBEHOERT ….”,

hetgeen beduidt, dat te Heerlen een toren gebouwd is ter bescherming van de ingezetenen tegen de roofridders uit de streek, welke toren de hertog van Brabant toebehoort. 

 


 

 

2. NOODTORENS - HET LANDSFORT HERLE.

Ook van kerkelijke zijde wordt nadrukkelijk en uitvoerig op het vestigingskarakter van toren en omgeving gewezen. In een oud Latijns handschrift, ondergebracht in het Bisschoppelijk Archief te Roermond, beschrijft de kroniekschrijver levendig hoe de Middeleeuwse kern van Heerlen er uit zag: midden in de vesting stond de Pancratiuskerk:

“….Templum …..in medio arcis positum Sto. Pancratic dedicatum……”

 

IMG 1585-2 Small

 

Voorts zegt hij, dat er boven het gewelf van deze kerk talrijke kamertjes waren ingericht ter beveiliging van de bevolking. Onze chroniqueur is blijkbaar een ooggetuige, want hij zegt zich deze toestand nog te kunnen herinneren :

”….Templum….solidum habet concamerationem supra quam, tamquam asilum, conclavia extitisse memini multa…..”

Hij geeft dus deze kamertjes een speciale benaming, duidende op een noodtoestand: ze zijn namelijk als een “asyl” een toevluchtsoord te beschouwen. Helaas zijn deze ruimten verloren gegaan: in de Nieuwjaarsnacht van 1944- 1945 werd de Noordbeuk van de kerk door een inslaande bom verwoest, waarbij ook de schuilkamertjes verdwenen; de “moderne tijd” had ze ingehaald…..

Natuurlijk waren dergelijke noodtorens berekend op de wapens van die tijd, hun kaliber en hun draagwijdte, maar destijds was men binnen de meterdikke muren ( van ± 2 meter tot zo’n 1.35m) voldoende veilig voor slingerkogels en pijlen ( een versterkt huis ( “stercke huysinghe”) begon al bij een muurdikte van zo’n 60 cm.) De grootte van de schuilgelegenheden varieerde naargelang zij voor enkelen ( de burchtheer en zijn familie, personeel en soldaten) bestemd waren, of voor velen. Betrof het daarbij een gemeenschap van mensen, zoals in Heerlen,die niet onder de rechtsmacht van de grondheer, maar van het landsbestuur - in dit geval Brabant- viel, dan werd een centraal veiligheids- en verdedigingscentrum gesticht, meestal in of bij een gebouw van algemeen belang ( en van steen !), hier dus de Pancratiuskerk.

 

IMG 7237 Medium

 

De in bronnen vermelde “….turis alta major sub anno 1394…… ( de “grote” toren; er is ook sprake van een “kleine” toren: “turis minor”. Dit betreft de vroegere woontoren van het adellijke geslacht Ahre- Hochstaden, ook wel “Bickerstein” genoemd, nu bekend als “Schelmen-“ of Gevangentoren) werd in dat jaar voltooid als nieuw- of herbouw.
De toren werd tegen de kerk aangebouwd, zodat schip en toren door de stevige muur van de toren van elkaar gescheiden waren. De Pancratiustoren was dus niet gelijkvloers vanuit de kerk bereikbaar zoals dat nu het geval is, ook het open oksaal ontbrak: ook hier keek men tegen massief metselwerk aan; dit geldt ook voor de huidige noordelijke- en zuidelijke toreningangen aan het plein rond de kerk.

IMG 7220 MediumNee, het in- en exterieur van de “donjon” was volkomen afgestemd op verdediging: wilde men de eerste verdieping bereiken, dan ging dit slechts vanuit de kerk met behulp van een hoge ladder, die men kon inhaken en naar een kleine, stevige toegangsdeur leidde; zodra have en goed binnen waren, werd de ladder naar boven gehaald. De- geheel gesloten- verdieping op de begane grond diende als bergruimte en was slechts via een luik in de vloer van de eerste verdieping bereikbaar. Ook de andere torenverdiepingen konden slechts via ladders en luiken betreden worden en waren dus stuk voor stuk apart verdedigbaar. Uiteraard waren de schuilkamers boven het Middeleeuwse kerkschip alleen vanuit de toren toegankelijk.

 


 

3.   DE TOREN EN  RIDDER  GILLES.

 

 

220px-Gillesderais1835In de Middeleeuwen moet het toch wel een ongelijk paar geleken hebben: de hoge massieve toren en de kleine kerk. Ze leken niet bij elkaar te horen en dat klopte ook. De kerk, die destijds een stuk geringer van afmeting was dan nu
(het kerkschip eindigde ongeveer ter hoogte van het huidige transept) was er al eerder, getuige bouwfragmenten uit de eerste helft van de 12e eeuw. De toren zelf, opgezet met een andere taak dan alleen kerktoren, werd er zoals gezegd tegenaan gebouwd en “torende” in de waarste zin van het woord er boven uit, hoewel hij toen nog niet de hoogte had van nu.

            Hij werd geplaatst aan de westkant van het kerkschip, op de plek van een vroegere westbouw, die ook weer alleen vanuit de kerk zelf toegankelijk was (vergelijk hiermee de massieve westbouw van de O.L.Vrouwekerk te Maastricht). Of deze bouw ooit voltooid is, weten we niet. Fragmenten ervan zijn nog wel zichtbaar.

            We kunnen de bouw van de toren rustig plaatsen in het jaar 1394, later dan de kerk dus, omdat hij dan verschijnt in de registers van de Rekenkamer te Brussel, dienstjaar 1395-1396, waar hij onder “Buitengewone uitgaven”  geboekt is. In register 2436 staat op folio 208 het volgende: (in vertaling)

“ ………Buitengewone uitgaven:
Ten behoeve van de heer Gilles van de Weyer, ridder, die jaarlijks aan mijn genoemde Heer twee kapoenen aan rente verschuldigd is wegens bepaalde gronden [ in de oorspronkelijke tekst: “treffons”/ “tréfonds”/”tresfons”= ondergronds] , waarop een toren, staande te Heerlen en toebehorend aan mijn Heer, is gebouwd voor de bescherming en verdediging der bewoners ter plaatse. En omdat de heer Gilles niet meer het genot heeft van genoemd goed, maar mijn Heer er over beschikt door middel van die toren, betaalt hij genoemde kapoenen niet meer aan mijn Heer. En niet tegenstaande dit, vermeldt de ontvanger ze onder de inkomsten, terwijl hij ze heeft willen afboeken bij de uitgaven der genoemde kapoenen…..etc.”

Een aantekening naast de tekst geeft aan:
“…..De ontvanger dient een verklaring te overleggen dat de gronden, waarop de toren, waarvan dit artikel melding maakt, is gezet, in handen zijn van mijn Heer…….”

KipkopieHet totale aantal kapoenen dat door diverse inwoners van Heerlen aan de Hertog geleverd werd wegens hun erfelijke goederen aldaar, was 22,
die per 1 october (St. Remigiusdag) verschuldigd waren.
Kapoenen of “capuynen”zijn gecastreerde hanen. Ze moesten aan allerlei eisen voldoen: zo moesten ze  “vol van vlees en zwaar van lijf” zijn, één el lang, niet kraaien en niet “kockelen”wanneer men hen met de middenvinger achter in de lenden sloeg, maar dit  “gaarne verdragen”. Kapoene dienden vaak als “cyns”(belasting); later betaalde men de waarde ervan in geld.

De grond, waarop de toren gebouwd was, behoorde dus  “tresfonds (treffons/ tréfonds/ tresfons)”  toe aan de ridder Gilles de Vivier, ook wel genoemd  “de Vivario”, of “Van de Weyer”.
“Tresfonds” [ondergronds] was het stuk grond dat onder de oppervlakte lag en dat men dus, net als de grond ààn de oppervlakte, kon bezitten. Vermoed wordt, dat het in dit verband betrekking heeft op hetzij de (verdwenen) westbouw van de kerk, hetzij op ondergrondse constructies als gangen, kelders of kazematten.
          Deze Gilles de Vivier werd in 1381 in het Land van Valkenburg bekend met de hoeve “Kemmenade” onder Geleen, de hoeve “Ten Eyck” onder Heerlen en de hoeve “Ter Molen” onder Hoensbroek. Zelf was hij Heer van het slot “Ter Weyer”en in 1393 in een conflict verwikkeld met het Stift van de Munster (Dom) te Aken. En zoals bijna altijd het geval is, waren niet zozeer de ruziënde partijen de slachtoffers van de voortdurende veten van die tijd, maar de plattelandsbewoners….
          Vermoedelijk dus zullen de inwoners van het vestingstadje Heerlen de bouw van de  “sterke toren” niet zo erg gevonden hebben, daar in de tekst genoemde “Rutres”, de rondzwervende benden huurlingen, dan liever de (onbeschermde) hoeves opzochten, en bovendien: de kosten van het garnizoen waren sowieso toch voor rekening van de Hertog van Brabant!

            Op het verlenen van hulp aan deze “Rutres” die tijdens hun strooptochten de landen van Rode en Valkenburg teisterden, stonden zware boetes.
Zo werd in 1399 een zekere Jan Witsop, die betrapt werd op het verschaffen van voedsel en drank aan de “…..compaignons rutres , appelés beyen, lequels estoient ennemis de monseigneur et avoient arse en son pais par nuit….”,
gestraft met een geldboete van 48 franken, hoewel hij door de “Rutters” onder bedreiging daartoe gedwongen was!

 

 


4. DE TOREN : KORTE BESCHRIJVING

 

 

IMG 7223 MediumVóórdat de Heerlense donjon gebouwd werd, was het westwerk van de kerk -al of niet voltooid- al weer verdwenen. Wanneer dit gebeurde, weten we dus niet precies. Mogelijk is dat geweest tijdens de Brabants-Limburgse oorlog tegen de Van Hochstadens (rond 1192), of is het na de Brabants- Hochstadense vete van 1239 als symbool van de Hochstadense macht en als onderdeel van Heerlens militaire weerbaarheid door de Brabanders gesloopt. Hoe dan ook, op zijn plaats verrees een imposant bouwwerk, dat in de meest letterlijke zin hoog boven alles uit-“torende”, waarbij het reeds van ver in de omgeving en zeker vanaf de heuvels, die de in het dal van de Geleen- en Caumerbeek gelegen vesting omringen, zichtbaar moet zijn geweest: uitdagend, stoer en sober van bouw. Schietgaten en kantelen gaven het geheel de uitstraling, dat er in tijden van gevaar met het Landsfort Herle niet te spotten viel – de donjon van een burcht waardig!
De toren kent vier geledingen van ongelijke hoogte, waarschijnlijk mede veroorzaakt door verandering van opzet of ingrijpende herstelwerkzaamheden, die een gedeeltelijke wederopbouw en aanpassingen moeten hebben betekend. Dat de hoogte van de verdiepingen vroeger anders was dan nu, is nu nog aan de binnenkant te zien aan de horizontale rijen van dichtgemetselde openingen voor de balken, waar eertijds de vloeren op rustten. De bovenste geleding van de toren heeft aan elke kant twee spitsbogige galmgaten met afgeschuinde kanten. In de muren van de derde geleding bevinden zich juist boven de waterlijst aan de buitenzijde aan iedere zijde twee schietgaten , behalve aan de oostkant, de tegen de kerk aangebouwde kant. Door de bouw van het traptorentje in 1862 is één schietgat vervallen, zodat er thans nog zeven over zijn. De onderste twee geledingen van de toren zijn opgebouwd uit Kunrader kalksteen en wel in zgn. “breuksteenverband” (metselwerk van onregelmatige blokken natuursteen). De verwerkte opvallende grote steenbrokken van donkergrijze kleur, zijn, net als in de O.L.Vrouwekerk te Maastricht, vermoedelijk hergebruikt Romeins bouwmateriaal. De toren heeft nu twee neo-romaanse ingangen uit 1901-1903; tot in de eerste helft van de 19e eeuw bevonden de ingangen van de kerk zich ter weerszijden van het kerkschip, cq. de zijbeuken.

 

Eikebos

 

DE PASTOOR IN DE TOREN.

 

Ook de pastoor van Heerlen deelde in het eerder genoemde “Recht van Refugie”. In Brussel bevindt zich een verzoekschrift, gedateerd 28 september 1621, gericht aan de President van de Rekenkamer aldaar en ondertekend door de toenmalige pastoor, Cos. Batlon. Het bevat een verzoek tot toewijzing van een hoeveelheid hout om zijn pastorie, die door de Staatse troepen in brand was gestoken, weer op te kunnen bouwen. De pastoor vroeg een vergunning om 14 of 15 eikenbomen te mogen kappen in het Ravensbos, dat een Hertogelijk domeingoed was. In de tussentijd had hij geen dak boven zijn hoofd en daarom ten einde raad zijn toevlucht gezocht boven in de kerktoren (donjon).
Op de 20e december van hetzelfde jaar arriveerde de uitspraak van de Brusselse Rekenkamer: er mochten slechts 4 eikenbomen voor de gevraagde doeleinden worden gekapt! De verontwaardigde parochieherder nam met deze wel zéér karige toewijzing, die bovendien nog veel te lang op zich had laten wachten; het was inmiddels al hartje winter geworden (en destijds heerste wat wij nu betitelen als “een kleine ijstijd” ) terecht Gevelde boomgeen genoegen en hij zocht naar een andere mogelijkheid om onder dak te komen. Want als het niet i.v.m. de bestaande staat van oorlog dringend noodzakelijk zou zijn, moest een winters verblijf in de kerktoren indien maar enigszins mogelijk vermeden worden. Met dit doel heeft de pastoor op de beslissing van de Rekenkamer eigenhandig de aantekening geplaatst, dat hij zelf de vier eikenbomen gekocht en betaald had, maar inmiddels reeds: ”………..commoditeyt van naerdere hem gelegen holteren ofte eyken gevonden hebbende…..”, alvast begonnen was met de wederopbouw “…sijns aengefangen pastorael huys…”.
Op 9 februari 1622 had hij in ieder geval zijn koude torenkamer weer verlaten, want op die datum verklaart hij de vier eiken, die hem uit het domein Ravensbos waren toegestaan, te hebben betaald. Intussen getuigt dit voorval opnieuw van het veiligheids- en verdedigingskarakter van toren en omgeving.

 

 


 

5. DE TOREN ALS UITKIJKPOST.

 

In tijden van onrust en oorlog deed de toren van de St. Pancratiuskerk tevens dienst als uitkijkpost. De taak van het wachthouden moest door de Heerlenaren, die buiten de vesting woonden, vervuld worden. Zij kregen daarvoor een soort soldij uitbetaald ( en een zéér behoorlijk quantum drank!).
In het Rekeningenboek van de Hoofdschepenbank Heerlen, lopend over de jaren 1588-1594, de beginperiode dus van de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648), lezen wij o.m. dat: “……die Huyslieden ten ernstigen bevele des bruekmeesters moeten goede wacht houden dach ende nacht in de starcheyt van Heerlen denwelken gelevert geweest thien gelachteren…….”
En op een andere plaatsonder het hoofdstuk:....”uitgaven in separatie gedaen aen de vestinghen der vrijheit van Heerlen…” wordt hierover gezegd: “ …item hebben dese rekenaers betaelt aenden waachter vanden thoorne der welke die wacht aldaer was houdende ter bevele van Scholtis, Schepenen ende Gemeenten…”

Vooral gedurende de eerste fase van de Tachtigjarige Oorlog moest de vesting voortdurend onder bewaking gehouden worden. De Prins van Oranje was deze oorlog in deze streek begonnen, n.l. in de buurt van Wittem, waar hij in zijn geloofsgenoot Floris I van Pallant, die toen het kasteel Wittem bewoonde, een trouwe hulp en bondgenoot had.

 

Heuvelland


Eind september 1568 had Willem van Oranje de “Limburgse” grens overschreden, zijn militaire hoofdkwartier in Heerlen gevestigd en het gehele land van Valkenburg bezet; hierbij had hij zich in korte tijd meester gemaakt van de drie belangrijke militaire steunpunten: het kasteel in Valkenburg, het Landsfort in Heerlen en de burcht van ’s Hertogenrade. Verder liet hij de belangrijkste uitkijkposten in Ubachsberg, Klimmen, de Gulperberg en delen van de Landgraaf ten noorden en oosten ( de “Lichtenberg”) van Heerlen bezetten. Oranje beheerste daarmee twee belangrijke oost-west verbindingen door Zuid-Limburg: de wegen van Aken en ’s Hertogenrade naar Maastricht. Het gevechtsterrein van Valkenburg en Gulpen tot Maastricht . Het plan was geweest om Maastricht bij verrassing te veroveren en regelrecht naar Brussel op te trekken. Dat mislukte: Maastricht bleek onneembaar en men keerde terug naar Wittem, dat hierbij echter opnieuw op de Spanjaarden veroverd moest worden. Later trok Oranje uit de streek weg. Dit alles had plundertochten tot gevolg.
Alexander Farnese, prins van Parma, bezocht diverse malen, o.a. op 13 februari 1588 en 24 juli 1590 de vesting Heerlen, die voor de toenmalige bewoners in deze woelige tijden van zo grote betekenis was.

Er is in het Gemeente-archief een document bewaard gebleven, dat belangrijke gegevens bevat uit het oorlogsjaar 1542. Karel V trok in dat jaar te velde tegen de Hertog van Gelderland. Gulik en Kleef gingen in het bondgenootschap met Gelderland mee, zodat de vesting Herle, die Karel’s partij koos, herhaaldelijk belegerd werd (we komen hier t.z.t. nog uitgebreider op terug). De buiten het Landsfort wonende boeren trokken zich met have en goed binnen de versterkte schuilplaats rond de toren terug. Het document is ondertekend door inwoners van binnen de vesting. Wij lichten er deze zinsnede uit, die de taak en functie van het fort kernachtig samenvat: “ …waeromtrent sij die eere hebben onderdanigst te vertoonen, dat den Kerkhoff van Heerle (bedoeld wordt het terrein rond toren en kerk) met wall en poorten omgeven, van ouds een fort ware, meermaals belagert, als laestens nog 1542 teste juro door de Gulixe en Cleefse…. en vervolgens tot retirade der omliggende boeren en hun vee…”

Het bovenstaande is vervat in een uit 1670 daterende aanvraag bij de Staten- Generaal in Den Haag, waaronder Heerlen ressorteerde, om subsidie voor de broodnodige herstelwerkzaamheden aan de fortificaties van het Landsfort. De aanvraag werd afgewezen: de eens zo trotse versterking had in de ogen van “Den Haag” geen militair-strategische betekenis meer; een roemruchte episode was voorgoed voorbij: de geschiedenis had andere zaken met Heerlen voor…

 


6. DE PANCRATIUSTOREN als ONDERDEEL van een REGIONAAL WAARSCHUWINGSSYSTEEM.

 

IMG 2535klHet Landsfort Herle maakte prominent deel uit van een signalerings- en communicatiesysteem, dat uiteraard verbonden was aan de (beperkte) middelen en mogelijkheden van die tijd, waarbij in tijden van gevaar ook contact werd gehouden met de vestingen ’s Hertogenrade en Limbourg a.d. Vesdre. (Kerk)torens, die op hooggelegen punten stonden , als in Vaals, Vijlen en Margraten, maakten sowieso deel uit van het militaire “early Warning” systeem, bestaande uit het geven van signaaltekens, welke, opgevangen vanuit hooggelegen punten (denk hierbij ook aan die plaatsen, aangeduid met de naam “Lichtenberg” bijv. te Landgraaf en de St. Pietersberg) vaak teruggaand naar systemen in de Frankische en Romeinse tijd, en uitkijkposten als (kerk)torens, langs een bepaalde route doorgegeven werden met als uiteindelijke doel het garnizoen van Maastricht te alarmeren en op de hoogte te brengen van de nadering van vijandelijke troepen. Het zal de lezer duidelijk zijn dat men er hiermee van uitging, dat het gevaar vanuit het oosten zou komen, hetgeen in de periode van de conflicten met Gelre, Gulik en Munster zeer zeker het geval was. In de tijd rond en na de Tachtigjarige Oorlog lag het niet meer zo eenvoudig, maar toen liep het functioneren van het Heerlense fort als grensversterking al op zijn einde.

 

De te geven alarmsignalen waren drieledig:

 

A. Het luiden van de klokken bij gunstige windrichting.

Hiervoor gebruikte men in Heerlen de zgn. “Banksklok”, welke aan de hoofdschepenbank Heerlen toebehoorde. Zij werd in het jaar 1743 op last van de Staten-Generaal opnieuw (om)gegoten en is in de toren blijven hangen tot de klokkenroof door de Duitse bezetter in 1943. Hierop en op de functie van klokken in het dagelijks leven zullen wij nog terugkomen.

 

B. Vuurseinen

Vooral ’s nachts gaf men een teken door het ontsteken van een groot vuur op het gevechtsplatform van de toren, die in de Middeleeuwen oorspronkelijk nog geen spits had en evenals de muren van het fort voorzien was van kantelen. De toren werd later van een spits voorzien, waaromheen nog loopruimte was en waarvandaan ook nog seinen met fakkels gegeven konden worden.
In de absolute duisternis van vroegere tijden vielen ook kleinere lichtsignalen veel meer op dan nu. Denk in dit verband ook maar aan het feit dat tijdens de “verduistering” in de laatste wereldoorlog een kleine hoeveelheid licht voor vliegtuigen nog tot op een hoogte van meerdere kilometers waarneembaar was!

 

C. Koeriers

Het zenden van ijlboden te paard.

Dit gebeurde soms ter aanvulling, maar meestal als door ongunstige (weers)omstandigheden de voorafgaande methoden faalden.

 

De route, die de signalen volgden en die in de praktijk blijkbaar goed voldeed is met zekerheid bekend. In een document, berustend in het archief van het voormalige adellijk Huis “de Peerboom” onder Voerendaal en daterend uit 1692 lezen wij het volgende:
Uitgangspunt was dus Heerlen, waar men

 

”……so by dagh als by nacht”…..wacht hield op “ haren kercktoorn…”
om in geval van onraad hiervanaf
“….het guarnisoen op haren kerckhof ( het plein rond de kerk) te verwittigen.

 

De afgegeven signalen moesten dan worden opgevangen door de wacht op Ubachsberg, betrokken door inwoners van Heerlen en Klimmen. De afstand tot de volgende posten (Vijlen en Vaals) is naar verwachting te groot om in één keer overbrugd te worden, zeker als er sprake was van slecht zicht door weersinvloeden als neerslag en mist.

 

Landschap heerlen-Valkenburg

 

Daarom zal er nog een tussenpost geweest zijn, ergens verder op het plateau van Ubachsberg (bijvoorbeeld de Vrouwenheide, waar nu de molen staat), of ergens achter Trintelen, vanwaar men naar het Heuvelland afdaalt en zicht heeft tot Vaals en het Duits-Belgische grensgebied. Een -extra- uitkijkpost was hier dus wel zeer wenselijk en mogelijk, maar de oude tekst maakt hiervan geen melding. Volgens dit document gaat de luchtweg van Ubachsberg rechtstreeks naar

 

de “…wacht vanden kercktoorn van Vaals ende Vielen, waerop de ingesetenen deselver plaets ook hare wachten sullen besorgenen; van waer verdere communicatie gegeven sal werden aen het guarnisoen van Vaelsbroeck ende aen de Ruyterwacht op den Gulperbergh, dewelcke sal voort bekent maeken aen ’t guarnisoen op ’t Huys Neuburgt (kasteel Neubourg) en met eene by signaal van vuur of anders aen den kercktoren van Marigraten, op welcken toorn de ingesetenen mede eene gedurige wacht sullen houden, dewelcke het ontfangen signaal wederom zullen geven aen de wacht tot Cadier, (…) vanwaer het guarnisoen van Maastricht geadverteert sal moeten werden, soo by signaal van vuur, luyden der klocken als afsenders van expressen (ijlboden)….”.

 

Dat aan deze gang van zaken streng de hand gehouden werd, blijkt uit de hoge boetes en andere straffen, die bij in gebreke blijven tijdens het wachtlopen, werden opgelegd. Een boete kon destijds de zeer hoge som van 5 goudguldens bedragen, terwijl men hoofdelijk aansprakelijk werd gesteld voor alle bijkomend onheil, veroorzaakt door een dergelijke nalatigheid. Bovendien kon men, afhankelijk van de ernst van de gevolgen, zware juridische straffen oplopen.

 

 

 

 

 

 

Zoeken