Noodtoren van de vesting Herle

4. DE TOREN : KORTE BESCHRIJVING

 

 

IMG 7223 MediumVóórdat de Heerlense donjon gebouwd werd, was het westwerk van de kerk -al of niet voltooid- al weer verdwenen. Wanneer dit gebeurde, weten we dus niet precies. Mogelijk is dat geweest tijdens de Brabants-Limburgse oorlog tegen de Van Hochstadens (rond 1192), of is het na de Brabants- Hochstadense vete van 1239 als symbool van de Hochstadense macht en als onderdeel van Heerlens militaire weerbaarheid door de Brabanders gesloopt. Hoe dan ook, op zijn plaats verrees een imposant bouwwerk, dat in de meest letterlijke zin hoog boven alles uit-“torende”, waarbij het reeds van ver in de omgeving en zeker vanaf de heuvels, die de in het dal van de Geleen- en Caumerbeek gelegen vesting omringen, zichtbaar moet zijn geweest: uitdagend, stoer en sober van bouw. Schietgaten en kantelen gaven het geheel de uitstraling, dat er in tijden van gevaar met het Landsfort Herle niet te spotten viel – de donjon van een burcht waardig!
De toren kent vier geledingen van ongelijke hoogte, waarschijnlijk mede veroorzaakt door verandering van opzet of ingrijpende herstelwerkzaamheden, die een gedeeltelijke wederopbouw en aanpassingen moeten hebben betekend. Dat de hoogte van de verdiepingen vroeger anders was dan nu, is nu nog aan de binnenkant te zien aan de horizontale rijen van dichtgemetselde openingen voor de balken, waar eertijds de vloeren op rustten. De bovenste geleding van de toren heeft aan elke kant twee spitsbogige galmgaten met afgeschuinde kanten. In de muren van de derde geleding bevinden zich juist boven de waterlijst aan de buitenzijde aan iedere zijde twee schietgaten , behalve aan de oostkant, de tegen de kerk aangebouwde kant. Door de bouw van het traptorentje in 1862 is één schietgat vervallen, zodat er thans nog zeven over zijn. De onderste twee geledingen van de toren zijn opgebouwd uit Kunrader kalksteen en wel in zgn. “breuksteenverband” (metselwerk van onregelmatige blokken natuursteen). De verwerkte opvallende grote steenbrokken van donkergrijze kleur, zijn, net als in de O.L.Vrouwekerk te Maastricht, vermoedelijk hergebruikt Romeins bouwmateriaal. De toren heeft nu twee neo-romaanse ingangen uit 1901-1903; tot in de eerste helft van de 19e eeuw bevonden de ingangen van de kerk zich ter weerszijden van het kerkschip, cq. de zijbeuken.

 

Eikebos

 

DE PASTOOR IN DE TOREN.

 

Ook de pastoor van Heerlen deelde in het eerder genoemde “Recht van Refugie”. In Brussel bevindt zich een verzoekschrift, gedateerd 28 september 1621, gericht aan de President van de Rekenkamer aldaar en ondertekend door de toenmalige pastoor, Cos. Batlon. Het bevat een verzoek tot toewijzing van een hoeveelheid hout om zijn pastorie, die door de Staatse troepen in brand was gestoken, weer op te kunnen bouwen. De pastoor vroeg een vergunning om 14 of 15 eikenbomen te mogen kappen in het Ravensbos, dat een Hertogelijk domeingoed was. In de tussentijd had hij geen dak boven zijn hoofd en daarom ten einde raad zijn toevlucht gezocht boven in de kerktoren (donjon).
Op de 20e december van hetzelfde jaar arriveerde de uitspraak van de Brusselse Rekenkamer: er mochten slechts 4 eikenbomen voor de gevraagde doeleinden worden gekapt! De verontwaardigde parochieherder nam met deze wel zéér karige toewijzing, die bovendien nog veel te lang op zich had laten wachten; het was inmiddels al hartje winter geworden (en destijds heerste wat wij nu betitelen als “een kleine ijstijd” ) terecht Gevelde boomgeen genoegen en hij zocht naar een andere mogelijkheid om onder dak te komen. Want als het niet i.v.m. de bestaande staat van oorlog dringend noodzakelijk zou zijn, moest een winters verblijf in de kerktoren indien maar enigszins mogelijk vermeden worden. Met dit doel heeft de pastoor op de beslissing van de Rekenkamer eigenhandig de aantekening geplaatst, dat hij zelf de vier eikenbomen gekocht en betaald had, maar inmiddels reeds: ”………..commoditeyt van naerdere hem gelegen holteren ofte eyken gevonden hebbende…..”, alvast begonnen was met de wederopbouw “…sijns aengefangen pastorael huys…”.
Op 9 februari 1622 had hij in ieder geval zijn koude torenkamer weer verlaten, want op die datum verklaart hij de vier eiken, die hem uit het domein Ravensbos waren toegestaan, te hebben betaald. Intussen getuigt dit voorval opnieuw van het veiligheids- en verdedigingskarakter van toren en omgeving.

 

 

Zoeken