Abt over de goede week

 

Altaarkruis MamelisAan het begin van de Goede Week en als voorbereiding op Pasen mogen wij, ter bezinning, een deel van de tekst uit zijn Vriendenbrief gebruiken van de abt van Mamelis, fr. Adr. Lenglet.

 

Voor ieder die een enigszins realistisch beeld heeft van een
kloostergemeenschap, is het evident dat monniken volop mens zijn. Ik vind het zelfs een voorwaarde om monnik te worden dat iemand een gezonde mens is, in alle opzichten.

De genade veronderstelt de natuur, luidt een klassiek adagium. Als wij de nieuwe mensen willen worden, waartoe God ons – naar wij geloven – roept, en waarmee in het Doopsel een begin is gemaakt, dat bouwt dat proces voort op wat wij van nature zijn. Het monnikenleven vervangt niet en vernietigt niet ons mens-zijn, maar het heeft de bedoeling het te genezen en grondig te hernieuwen volgens een heel nieuw, christelijk levenspatroon.

 

Hoe dat patroon eruit ziet, zou het duidelijkst moeten af te lezen zijn aan ons leven in de veertigdagentijd. Want sint Benedictus schrijft: Eigenlijk moet het leven van de monnik altijd zijn zoals in de veertigdaagse vasten, maar omdat slechts weinigen die deugd bezitten, raden wij de monnik aan om in die dagen van de veertigdaagse vasten zijn leven in alle zuiverheid te bewaren (RB 49). De veertigdaagse vasten legt het grondpatroon van het monnikenleven bloot, zoals je in de winter aan de kale bomen het best de opbouw van wortel, stam en takken kunt zien.

In dit hoofdstuk van zijn Regel over de veertigdaagse vasten geeft
sint Benedictus als dragende kracht van de veertigdagentijd aan: de gerichtheid op het Paasfeest: laat de broeder met de vreugde van het verlangen dat uit de Geest is, uitzien naar het heilig Paasfeest. Sint Benedictus bedoelt zeker niet alleen de ene Paaszondag, wanneer de zes weken van vasten ten einde zijn. Voor hem is “Pasen” veel meer. Het is de samenvatting en de kern van ons geloof. “Pasen” omvat Goede
Vrijdag, Stille Zaterdag en Paaszondag samen: het is het werk van de verlossing waardoor God ons in Christus de ondoorgrondelijke diepte van Zijn barmhartigheid heeft laten zien. Pasen is de verrijzenis uit de doden van Christus zelf, maar met Hem in beginsel ook die van alle mensen die Hem toebehoren. Dat geheim, ons geheim!, doortrekt  heel de veertigdagentijd en het bereikt zijn hoogtepunt in de Goede Week, vooral in de laatste dagen van die Goede Week. 

Voor sint Benedictus is de gerichtheid op het Paasfeest eigen aan geheel het monnikenleven, van begin tot eind. Wij (dat zijn uiteindelijk niet alleen de monniken, maar alle christengelovigen en in de breedste zin van het woord zelfs alle mensen) zijn uitgenodigd om nieuwe mensen te worden, door in ons leven het licht van Pasen te laten binnenvallen en ons door dat licht te laten omvormen. Het verlangen naar eeuwige Pasen vult het mensenhart met vreugde en maakt de mens gaandeweg steeds meer gelijkvormig aan Christus.
Juist Christus heeft van al het menselijke, en van de maaltijd in het bijzonder, gebruik gemaakt om ons op deze weg naar het eeuwige Pasen te onderrichten, te voeden, te sterken.
Juist in de viering van de Eucharistie: het offer van Zijn leven waarmee wij in letterlijke zin communiceren, raken wij het dichtst aan de werkelijkheid die ons tenslotte wacht.

 

Zoeken