Je toevertrouwen aan Gods genade

 

‘Als niets helpt…’

JobJaren geleden las ik het boek van de zenleraar professor Ton Lathouwers Meer dan een mens kan doen. Zentoespraken (Nieuwerkerk a/d IJssel 2000). Hij bespreekt de intrigerende vraag: ‘Als al ons handelen faalt: wat gaan we dan doen? (…). Als er geen enkele weg naar een uitkomst is, wat doe je dan?’ (p. 180). Een ervaring die menigeen doormaakt. De schrijver zegt: ‘Het is in elk opzicht ook mijn eigen ervaring, het verhaal van mijn leven. En toch is daar tegelijkertijd die andere kant: dat er grenzeloos vertrouwen kan zijn, dat het leven zelf onbegrensd vertrouwen is, onbegrensde openheid’. Het is een ‘basisintuïtie van het leven’, ‘een paradoxaal inzicht’. ‘Het behoort niet uitsluitend tot de wereld van denken, maar is in de eerste plaats een levende ervaring, die ongeconditioneerd is en overal en altijd kan plaatsvinden (…) de mogelijkheid om in het hart geraakt te worden’ (p. 39). Maar voor het zover is, staan we zoals hij zegt, voor de opgave ‘om bij de vraag te blijven. Wij moeten toestaan dat wij in en door de vraag ontzet worden tot in ons gebeente, zoals de psalmist zegt, tot ons hart geworden lijkt als was, tot het gesmolten lijkt in ons bekken. Juist daar en alleen daar opent zich een volkomen nieuw perspectief dat alles en iedereen omvat en optilt uit alle schijnzekerheden, uit alle beelden van een mechanische ontwikkeling van verleden via heden naar toekomst, van oorzaak naar gevolg’ (p. 180). Hij doelt op Psalm 22, 15: ‘Als water ben ik uitgegoten, mijn gebeente valt uiteen, mijn hart is als was, het smelt in mijn lijf’. Wat kan er namelijk gebeuren in de ervaring van totale machteloosheid? ‘Als Job tot in elke vezel van zijn ziel beseft dat niets meer mogelijk is, in die totale ontzetting, precies daar gebeurt het onmogelijke wonder. In die godverlaten wanhoop worden in de mens de diepste krachten vrijgemaakt. Door wie? Door wat? Niet door eigen inspanning, niet door eigen moed of opoffering, maar door iets diepers dat wij enkel zouden verkleinen door het te verwoorden. Noem het geloof, noem het genade, noem het hoop, verlossing, verlichting. Maar bedenk daarbij, dat wat hier gebeurt van een totaal andere orde is dan alles wat wij doorgaans onder deze woorden verstaan’ (p. 184). Rabbi Nachman van Bratislava (1771-1810) zegt: ‘Geen hart is zo heel als een gebroken hart’. De Jood Elie Wiesel parafraseert: ‘Geen geloof is zo zuiver als een gebroken geloof’ (Lathouwers p. 187).

 

 

Zoeken