Bezinning in de Advent 2012

kerstboon optuigenWat moeten wij doen?

 

Wat moeten wij doen? Tot driemaal toe wordt aan Johannes de Doper deze vraag gesteld. Het is bijna kerstmis. Wat moeten wij nog allemaal doen? Ik moet nog kerstkaarten schrijven, ik moet nog een kalkoen slachten voor het diner, ik moet de kerstboom en de kerststal nog opzetten. We hebben een heleboel op de planning staan. Er moet nog zoveel gebeuren!

Aan de andere kant hebben we ook wel eens moeite met het woordje ‘moeten’. Als iemand tegen jou zegt: ‘jij moet…’, dan neigen we al gauw te denken: ‘ik moet helemaal niks, ik mag iets doen’ En toch, komen we er niet onderuit, dat we dingen nu eenmaal moeten doen, bij hetgeen we ons voornemen. Als je met het kerstdiner daadwerkelijk kalkoen wilt eten, zul je er wel een moeten halen. Maar ook bijv. wil je op school goede punten wilthalen, dan moet je er wel iets voor doen; wil je topsporter worden, dan zul je daar hard aan moeten werken. Wil je bij Jezus horen, dan moet je daar ook iets voor doen of laten.

In het Evangelie wordt heel duidelijk het woord ‘moeten’ gebruikt en niet ‘mogen’.. Allerlei mensen komen bij Johannes, ze kijken uit naar de beloofde Messias, de beloofde Redder, de Komende. Dat doen die mensen niet door er op hun gemak bij te gaan zitten, zo van: ‘de Komende, die zien we wel een keer komen; we wachten rustig af.’ Nee, bij het uitzien naar de Redder, daar hoort een houding bij. En die houding zien we weerspiegelt in die vraag: ‘wat moeten wij doen.’ En wij, beste parochianen, kunnen ons helemaal vinden in die mensen. Want ook wij, in deze Adventstijd, zien uit naar de Messias, de Verlosser, en ook diezelfde vraag zou ons bezig moeten houden: ‘wat moeten wij doen?’

Die mensen die bij Johannes komen, zijn gewone burgers, soldaten en tollenaars. En hij geeft prachtige adviezen, ‘deel je kleding’, zegt hij tegen de gewone burgers, ‘vraag niet meer dan is vastgesteld’, tegen de tollenaars en ‘plunder en roof niet’, tegen de soldaten. Bij elk beroep een ander advies. Johannes zegt niet: ‘stop met je beroep, ga wat anders doen’. Je naar God keren, bekeren, is geen houding waarin je per se met alles moet breken. Kan wel, maar daar ligt ieders persoonlijke roeping. Daar waar je bent, op je werk, bij de vereniging, in je gezin, moet je laten zien dat je bij God hoort. En bij elk beroep en in elke situatie hoort een ander advies en een andere manier. Ik wil graag een zin aanhalen die we in de eerste lezing gehoord hebben, waarin we ook het woordje ‘moeten’ tegenkomen. Het mag voor ons een leidraad zijn. Paulus zegt: ‘Verheugt u! Uw vriendelijkheid moet bij alle mensen bekend zijn. De Heer is nabij.’ Alle adviezen die Johannes geeft heeft met deze zin te maken, en Johannes verbindt er een concreet advies aan.

Tot slot het allerbelangrijkste. Tegen al die mensen zegt Johannes als het ware: ‘het gaat niet om mij, maar het gaat om Degene die na mij komt, Jezus de Messias. Johannes is slechts degene die de mensen voorbereidt, die hen de weg wijst naar Jezus. Onze vriendelijkheid moet bij alle mensen bekend zijn. Maar niet omdat wij zelf dan in het middelpunt staan, maar daardoor willen we proberen onszelf te geven, onszelf klein te maken, zodat wij op onze beurt net als Johannes de Doper, anderen de weg mogen (moeten) wijzen naar Jezus.

 

Zoeken