Parochienieuws 29 juni - 4 augustus 2013

Over een pootaardappel en het doopsel

De weg naar de kapel van Leenhof leidde mij langs een veld waar ik herkende dat er aardappels waren gepoot. Met de dienst op 27 mei troffen we het allemaal: het was die avond warmer en droog na alle kou en regen. Dat heeft ook de grond gevoeld. Kort nadien zag ik een waas van groen terwijl ik naar Landgraaf reed over dat aardappelveld.
Onlangs, slechts enkele weken later, zag ik een groot groen tapijt: stevige planten oogden beloftevol voor de boer en de afnemers van zijn aardappelen. Als man van de kerk zag ik daar een mooi beeld over de doop in verstopt. Een gedachte welk ik durfde toelaten, omdat monniken verantwoordelijk waren voor de verspreiding van de aardappel vanuit Spanje naar de andere Europese landen. Zij pootten de plant in hun kloostertuinen en leerden de mensen dit als voedsel te gebruiken. Bovendien is in veel Europese en westerse landen de aardappel een basisvoedingsmiddel. Net als rijst, pasta en brood, is de aardappel een belangrijke bron van koolhydraten en maken we er in vele vormen gebruik van: als puree, gekookt, gebakken, gepoft, gefrituurd als friet of chips. Niet weg te denken uit onze keukens en eetgelegenheden en huiskamers. En alles begon met één verborgen knolletje, onzichtbaar voor onze ogen, je kunt ze vermoeden als ze ‘ingebed’ zijn. Wat je nodig hebt is warmte, vocht, en de hoop dat met name geen bacterie de vrucht en de plant aantast. Is het klimaat dus gunstig, is er voedsel voor velen.
Ook de doop is in het begin ‘onzichtbaar’. Het wordt er op verzoek van de ouders ‘in gebed’ ingelegd, in het nog welhaast verborgen leven van een jongen of meisje. Maar zie eens hoe snel een mensenkind kan groeien en bloeien! Je staat versteld hoe snel zo iets kleins en vertederends open bloeit en opbloeit. Maar het veronderstelt wel een goed leefklimaat. Op tijd rust, op tijd voedsel, vooral veel warmte en licht (= liefde) zodat het klimaat geschapen wordt waardoor een mens er mag zijn, om zelf voedsel te worden voor onze maatschappij. Dat geldt niet alleen het mens-zijn, ook het gedoopt zijn.
Iemand die zijn doopsel bewust wil beleven, zoekt ‘goede grond’ om te kunnen gedijen. Zonder gebed en betrokkenheid bij de eucharistie mist de gedoopte de warmte van Christus’ aanwezigheid. Maar ook van belang is dat ouders hun licht laten schijnen over zin en inhoud en waarde van het leven. Wie leeft, en voor anderen ‘voedsel’ wordt, zal zich zinvol presenteren en mensen zijn er ook ‘happig’ op dat er iemand is die niet zichzelf (alleen) zoekt te voeden. Als gedoopten leren we onze tijd en talenten delen met de mensen die dat kunnen gebruiken. Dus ben je als zodanig zinvol en levenschenkend bezig. Uit één knol kunnen vele vruchten geboren worden.
In onze tijd zijn er zichtbaar en hoorbaar vele ‘bacteriën’ bekwaam en vaardig bezig, om de vrucht van het doopsel in de kiem te smoren. Dus halen we het leven eruit, uit de wereld waarin we leven. Dan zien we hoe moeizaam alles moet gaan, omdat we er niet meer voor de ander zijn. Alleen nog uit op eigen gewin, eigen voordeel en profijt, meestal ten koste van de ander. Zoals een aardappel niet eeuwig verborgen kan blijven, zullen ook wij als gedoopte(n) weer zichtbaar moeten worden en ons aanbieden. Hard nodig in een cultuur waar mensen graag zichzelf aanbidden en daardoor er niet kunnen zijn voor anderen in woord en daad.
Waar staat u in dit verhaal als u gedoopt bent?

Hartelijke groet, deken Th. v. Galen.

 

Zoeken